Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-f III )-

i.) Hoe jonger, tederer en zwaklijker de Kinderen zijn, hoe meer zij, op eene onnatuurlijke wijze, in fchoolen en kinderkamers opgefloten worden , hoemeermen de befchaaving van hun verftand, in fpijt van de natuur , door overdreven herfenwerk tracht te bevorderen, hoe meer verdriet men hun aandoet, en de vrolijkheid, hun door de natuur gefchonken, verbittert : zoveel meer flaap hebben zij nodig tot hunnen ligchaamlijken wasdom, tot hunne fterkte, en tot herftelling van hunne, door dergelijke onnatuurlijke behandeling verzwakte , leevenskracht. De gronden dezer Helling fleunen op de voorgedragen eerfte , tweede , vierde , vijfde , zesde en zevende waarnemingen, en de verklaaringen, welken wij van dezelven duidelijk meenen gegeven, en geene herhaaling nodig te hebben. De ondervinding leert, dat men deze ftelling niet ongeftraft kan overtreden ; want bleekheid van gelaat , buitengewoone aandoenlijkheid , gebrek aan de gewoone vrolijkheid der jeugd, en een zwak zieklijk ligchaamsgeftel: of, zo deze ongemakken reeds te vooren plaats hadden — eene oogfchijnlijke vermeerdering en toeneming van dezelven zijn de zekere gevolgen dezer overtreding. Zal en moet men, bij zulke Kinderen, met betrekking tot den flaap, de rechte maat te buitengaan: dan ware het te wenfchen , dat men door overmaat, en niet door eene bekorting van denzelven , zondigde. Want de overmaat zoude hun zooveel nadeel niet toebrengen, vooreerst, omdat zelfs eene onnatuurlijke lange flaap voor zulke Kinderen altijd nog natuurlijk fchijnt te zijn, en ten anderen,

om-

Sluiten