Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 141 )-

In het eerfte geval moet men derhalve medelijden met ons oefenen, in het andere ons fchuwen, en in het laatfte ons verachten. En wat moeten diegenen , welken wij geheimhouding beloofd hadden , van ons oordeelen , wanneer zij ondervinden, dat wij het toevertrouwde aan anderen medegedeeld hebben? Zekerlijk zullen zij ons met verachtinge bejegenen, en zooveel te meer, naar maate de zaak gewigtiger, en dus het vertrouwen grooter is, welk zij op ons gefield hebben. De vermaaning van S alomo: vermengt U niet, of hebt geene gemeenfchap , met hem , die het heimelijke openbaart, zal hun altoos voor den geest zweeven, altoos zorgvuldig door hen in acht genomen worden. Zij zullen zich verplicht houden, zich bij iedere gelegenheid voor ons te wachten , en ernftig bidden, dat zij, in onze tegenwoordigheid, toch op hunne hoede mogen wezen; en ons dus als menfchen behandelen, die het vermogen fchijnen te misfen , om zichzelven te beheerfchen , en hunne: tong in toom te houden; of ons als zoodanigen affchilderen, die de heilige rechten der vriendfehap en des vertrouwens aan hunne baatzuchtige oogmerken, aan hunnen nijd, hunne gierigheid , of dergelijke fchandelijke drift, zonder bedenken, opofferen.

Dan, behalve dit, lopen zij , die zich gewend hebben, alles overal rond te dragen, wat zij van anderen gezien of gehoord hebben, of zij zich al of niet tot (iilzwijgendheid verbonden , of uit de gevallen zeiven de noodzaakiijkheid daarvan gemaklijk konden opmaaken: — dezen, zeg ik, lopen dikwerf K 5 ge-

Sluiten