Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' —C 179

onze mededinger te zijn, te vernederen, in een öngunfiig lichr plaatfen , uit zijne loopbaan wegdrijven, of wel zijnen geheelen ondergang te kunnen berokkenen. 6 Luistervolle, ó aanbidlijke kwaadfprekendheid ! hoezeer behoorde niet de boezem van eiken fterveling aan U geheiligd te zin! Met hoeveel gronds verdient Gii onze vereering ! Gewisfelijk zelfs behoorde het geheele mensehdom ü alöm tempels te Hinten, altaaren opterichten en de kóstbaarfte, de welriekendfte wierookgeuren, ó Godinne des voorfpoeds en der overwinningen ! toetezwaaié'n. De hoven der magtige alleenhccrfchers , de paleizen der grooten , de eenzaame vertrekken der geleerden , de werkplaatfen der kunftenaars , behoeve ik meer te zeggen? alle ftanden, alle flaaten en clasfen der ftervelingen bewonderen , eerbiedigen , en erkennen uwen nuttigen, uwen onweerflaanbaaren en gezegenden invloed. Hoe menig ïtaatsdienaar heeft hier door niet op alle zi:ne vijanden gezegeviert; zijne tegenftanderen hunnen gewisfen val bereidt , en voor immer zich in de gunst en het vertrouwen des zwakken Vorsts weten te bevestigen ! Hot menig Jongling heeft hier door zich een ambt verworven , hetgeen lang te vooren eenen anderen alreê was toegezegd! — Hoe menig fchri]ver , ten kosten zijner vijanden, zijnen roem verworven! Hoe menig kunstenaar zich geluk, aanzien en rijkdommen doen toevloeien ! Dan genoeg hier van , te veel reeds hebbe ik uwe aandacht gevergt: ik fpoede mij, om tot de glansrijke voorbeelden der groote Mannen overtegaan.

Gij

Sluiten