Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( i85 )-

geflagenoogen, op hetzelve ftaan. Vervolgends ^werpt' hij zich daarop neder, en omvat den graffteen, terwijl hij uitroept: „ Ik heb ze gevonden ... ik heb ze gevonden, dierbaare Gellert! Uwe grafflede heb ik gevopden! . . . Hier . . . hier rust Gij dan, en ik . . . ik zweeve boven uwe aschl Duizend ... ja , duizendmaal dank voor de lesfen , die uwe wijsheid en uwe deugd mij gegeven hebben! — Gij — Gij alleen hebt mij op den weg der gelukzaligheid gevoerd , door uwe fchriften hebt Gij mijn hart en mijnen geest gevormd!" Op deze wijze hield hij den verflorvenen eene lofrede, met zulk'een vuur, dat de traanen hem langs de wangen nederbiggelden. En, toen hij oprees, rukte hij eene zoode gras, met de aarde aan dezelve, naast den graffteen uit, wikkelde die in zijnen zakdoek, en zeide: „dit wil ik naar Weenen mede nemen; het zal mij geheiligd zijn, wijl het aarde van het graf van Gellert is." Verder verhaalde hij , dat Gellert in Weenen zeer veele lezers en bewonderaars had; dat de Keizer zijne werken in den zak droeg, ] en zich daarmede vermaakte. Eene eere waarlijk voor Duitschland, en vooral voor Weenen, dat het de verdienften van eenen Gellert weet te waardeeren,

* * *

En een onfchatbaar geluk voor het menfchelijk genacht , indien alle Dichters, in hunne zangen en leevenswijze , het doorluchtig vo orbeeld van eenen N 3 on-

Sluiten