Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L( 198 )JB

tijds gebeuren, wanneer de lijder uitteert, en noch hevige fmart, noch eigenlijke krankheid ondervind?. De reden is dikwerf deze, dat de lijder, wanneer het op bet verlaten dezer waereld aankomt, meer wil weten, dan rrien weten kan. Is het niet ons , menfchen, eigen vooruittelopen? Ja zeker! en, mid« deze aandrift verftandiglijk beftuurd worde, is ons dezelve ten hoogden nuttig. Geen wonder , dat die drift zich dan vooral , en zeer fterk ontdekke , wanneer de donkere nacht des doods nadert. Wat blijft 'er van mij overig? Waar ga ik heen? Wat zal mijne bezigheid uitmaaken ? Zal ik de mijnen nimmer weder ontmoeten met eenige kennis? Kortom: hoedanig zal mijn ftaat wezen ? In gezonde dagen, toen het bloed nog frisch ftroomde door de aderen, zeide de verftandige , de deugdgezinde man tot zich zeiven , bij het overzien van alle de befpiegelingen der wijsgeeren , en de vastftellingen der vermetele fehoolgeleerden, belangende de ziel der menfchen : voorwaar ik weet niets : ik ken de ft of niet: hoe zoude ik dan iets verftaan , aangaande een wezen , welk men mij zegt, met de ftofe niets gemeen te hebben ? Dit weet ik : 'er is eene Opperoorzaak van al~ les; en, hoezeer ik niets weie , met opzicht tot haatwezen , ken ik van haare zedenlijke hoedanigheden zooveel, als genoegzaam is , om mij gerustteftellen, dat ik niet te vergeef ch gefchapen ben; dat de kring van mijn beftaan niet binnen den korten omtrek der tegenwoordige leeyensoogenblikken bepaald is; dat ik of zal voordduuren , op de eene of andere wijze, of wederom ttn votrfchijn gebragt worden , met perfoonlijke bewust-

Sluiten