Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—( 211

af te wel bevond. Haare onpasüjkheid nam * habd over hand, toej, zodat de geneesheer fer eindelijlc voor uitkwam , dat de ongefteldheid uit eene zogverplaatzing ombond, en dat dit zoo fchierlijk nog niec berfteld zou zijn. De man begreep het wel , maar dit hielp de lijderesfe niets welker pijn in de borsten, in de rechter heup en eéne knie, van dag tot dagi ondraaglijker werd. Nu [tonden haare wonden eens wel, en men vleide zich met beterfchap , maar daags daaraan waren zij weder tien maaien erger.

In deze ólgèmeehe droefheid was het lieve Kind al geheel aan de Minne overgelaten. Haare geduurige bezigheid met hetzelve tobde haar, welke wel ten goéd, maar juist gêen zeer werkzaam charakter had, af, en maakte haar hoe langer zoo lusteloozer. Dit had die uitwerking bij het Kind , dat het , geduürig onrustiger wierd , en Zijne oppasfing nog des te moeilijker maakte. Op een morgen vroeg hoorde men éen hevig gegil in de kinderkamer ; men liep 'er na toe, en vond het Kind dood onder de Minne liggen. Dezö, volmaakt gezond en van een fhlegmatiek temperament zijnde, was, met bet Kind aan de borst, vast in flaap geraakt, en bad het dood gelegen. — Denk zelve eens, welk een ijslijk tooneel dit gaf: ik kan het niet befehrijven.— De fchrikontftak Terder het koud vuïir in het ligchaam der Mbeder* waarvan zij als eene marcelaaresfe flierf, én dus leed het geluk van het geheele huisgezin fchipbreuk in dé gèmaklijke toot der mode.

V.D.Ilï.S; p M*

Sluiten