Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

K 222 )-

Mijn vermogen komt in 't geheel bij hem in geene aanmerking; mijn Perfoon is het alleen, welke hij begeert.

Van alle die mooie zaaken vertelt mij de Heer L. niets. Hij gelooft met mij, dat wij wel eens over hoop zullen raaken, dewijl het onmooglijk is, dat twee menfchen over alle zaaken gelijklijk denken kunnen, en daaruit zeer natuurlijk woordenftrijd rijzen moet, 'tgeen, echter zijns bedunkens, geene reden moet zijn, om het huwelijk te verwerpen, dewijl in den anderen ftaat ook voorwerpen zijn, waarmede men, uit maatfchaplijke betrekkinge , in dezelve ongelegenheid geraaken kan.

Ziet daar, mijne Heeren, U een weinig licht in de charakters van mijne twee Minnaars gegeven; raadt mij, bid ik U, wien van beiden ik tot mijnen Echtgenoot nemen zal; den infchiklijken HeerB., of den minder plooiënden Heer L. , ten ware Gij mij het huwelijk geheel dagt te moeten ontraaden? Ik zou haast overhellen, om te denken, dat de laatfte voor mi;n charakter de voorkeur verdiende, om deze reden: wij zouden, gehuuwd zijnde, weinig te veranderen hebben; hij kan, als Man, bijna dezelfde blijven , die hij als Minnaar was , daar integendeel de Heer B. veel van zijne beleefdheid zou moeten afleggen, en dat zou, ingeval het wat al te fchierlijk en onhandig gebeurde, wel eens aanleiding tot een krabbelpartijtje kunnen geven. Höe 't zij, mijne Heeren, ik zal het aan Uw meerleel overlaten, wat mij te doen ftaat; doet om dezen brief in uw Werkje te plaatzen,

Sluiten