Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 245 )—

Zekerlijk moet, in dit geval, de vöorfaad van leèvenskracht , en derzelver meerder of minder vermogen, hierin een groot onderfcheid maaken, en zo dezelve, van natuure, of door ongeregeldheden, verzwakt is, moet zij noodzaaklijk eerder uitgedoofd worden , dan wanneer zij niets van haar natuurlijk vermogen verloren heefc.

Wijders de wijze van fterven. Hij, die den natuurlijken, dat is, den dood uit ouderdom voordfpruitende, fterft, kan het zekerst voor dood gehouden worden; want hier is de dood het gevolg van verdrooging en vernietiging, welk ieder ligchaam, door eene zekere voordduuring van het leeven ' zich zelf veroorzaakt. Even eens is de dood na ziekten, zij mogen lang of kort zijn, welke de bronnen der Ieevenskracht , öf de werking der edelfté deelen doen ophouden , gewis en onherftelbaar

Maar men flelle zich nu eens Perfoonen voor die door hartzeer en zorg , door langduurige zenuwziekten zoo fterk verzwakt zijn, dat zij i„ fchijll op. houden te leeven. Hier kunnen de levenswerktuigen nog geheel gaaf zijn ; het is alleen flaauwte of eene fterke kramp, welke de leevenswerktuigen doet ftilftaan; en , na eenigen tijd, zal de Ieevenskracht welke in dit geval den dood lang wederffean kan , zich herhaalen, en weder in werking geraaken, gelijk deondervinding meermaalen getoond heeft. Even min kan men zeker zijn van het overlijden van hun die , met een volmaakt geZond ligchaam , aan eenen geweldigen dood , als beroerte , eene uitwendige Kwetzing, verdrinking, verïlikking &c, fleren;

R « 0oK

Sluiten