Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

--C 26-0 )—

boven de overige fchepzelen , met welken hij de aarde bewoont. En het gewichtigfte , het noodzaaklijkfte middel tot deze ontwikkeling en het gebruik van zijn verftand, is de fpraak. - Zonder deze vatbaarheid zou de Mensch immer dier blijven , en nimmer voor het genot van het voorrecht en het geiuk vatbaar worden, welk hij, boven alle andere Schepzelen op den aardbodem, bezit.

Zonder de fpraak zouden onze gewaarwordingen in verwarring blijven — nimmer gedachten worden. De fpraak verfijnt, ordent en vermeerder: onze gewaarwordingen. Zij maakt dezelven bij ons recht leevendig — maakt ze tot gedachten, en ftelt ons in ftaat, om een ganfche rei derzelven , door verftaaubaare toonen, of woorden, uittedrukken, en in de ziel van anderen overtebrengen.

Ontbrak den menfche de fpraak, dan zou hij, in opzicht tot zijne ervaring en zijne kennis, geheel tot zichzelven bepaald zijn. In welke naauwe grenzen zou hij dan befloten wezen ! — Door hulp der fpraake, worden de ondervinding en kennis van hem, die dezelven bezit, onder alle menfchen verfpreid, en, van geflacht tot geflacht, vermeerderd en verbeterd , voordgeplant.

Datgeen , welk in onze ziel omgaat , vernemen anderen : en datgeen, welk in de ziei van anderen omgaat , svorden wij gewaar. — Door haar deelen wij den rijkdom onzer ziele mede, zonder dien te verliezen; en zamelen de gedachten van anderen in, zonder dat hunne gewaarwordingen , door derzelver mededeeling, verminderen.

Man-

Sluiten