Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-(m)-

doch Abeillard befloot zijne aanfpraak mee deze onbefchaamde aanmerking: „ gij fchijnt dus eenen plechtigen zoen te willen treifen, 0m mijnen ondergang zoveel te zekerer te kunnen bewerken."

Ernftig befloten hebbende , zijne belofte te volbrengen, vertrok Abeillard onverwijld naar Bretagne , waar hij Eloïse, fchoon van zijne komst onbewust , blijmoedig met de plichten haarer nieuwe betrekking bezig-vond. Na de eerfte omhelzingen , en nadat hij zijn Kind, hem door Eloïse, met het gelaat eens Engels , aangeboden , gekuscht had, verklaarde hij haar, gekomen te zijn, om haar naar Parijs terugcevoeren , en aldaar met haar in het huuwlijk te treden. Eloïse, zich verbeeldende, dat hij fchertfte, zo als zijne gewoonte was, kgchte; doch gaf hem op zijne betuiging," dat hij in ernst fprak; dat hij haaren Oom bezogt had, met hem verzoend was, en hem zijn woord had gegeven, om haar te trouwen ," ten andwoord: „ indien uwe verklaaring U ernst zij , dan zal ik ook ernftig wezen; en ik betuig U dus in ernst, dat ik Hooit kan bewilligen , uwe Vrouw te worden." — De beflisfende toon, waarop zij de laatfte woorden fprak, verbaasde Abeillard. — „ Gij fpreekt al vrij itelligl" zeide hij; „ doch ik moet uwe redenen hooren." - „ Ik .zal ze U zeggen," hernam Eloïse: „ zij zijn de volgenden."

„ Wanneer gij U verbeeldt . Abeillard , dar. deez' ftap gefchikt zij , om de gramfchap van mijnen Oom te bevredigen, dan bedriegt gij ü; want ik ken hem te wel, om niet te weten, dat hij een

V.D.III.S. T om-

Sluiten