Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 332 )—

roede wangen en vrolijke levendigheid zich zoo voord e Jg onder zijne ouder Zusjes weieer onderf he.d e was nu in een Keek, opgezwoilen, vad2>g Kind veranderd. In p,aats van zjjne geesnge trekken, bad hij nu een dom en traag voorkomen; in één woord, hij was onkenbaar. Dat goede Kind, 't welk even weelig, als uw boompje, opfchoot.was in een' vreemden, al te vetten grond verplant, en begon reeds met hetzelve eenerleièn weg te gaan. _ Was het niet jammer van het jonge plantje?

De gezondheid van den Weenen Karel was in zonderheid, zederd dat hij gefpeend was, zoo, ten nadeeie, veranderd; me„ was in de keuze, en hoe. veelheid van zijn voedzel niet omzichtig genoeg geweest; men gaf hem maar volop, gelijk Gij uw boompje , om maar een fterken knaap van hem te maaken.

Te fchierlijke verandering, waar de overgang een fprong is, is altijd fchaadelijk. Deze grondles geeft ons de Natuur, welke nimmer eenen fprong doet, wanneer zij veranderingen voordbrengt. Langzaamer! hand volgt de zomer op den winter , de nacht op den dag; met den tijd pikt het Kieken zich uit den dop; allengskens ontwikkelt zich het roozeknopje; van tijd tot tijd word alles oud, wat jong; groot,' wat kleen; en fterk , hetgeen teder en zwak was' Uit deze eerwaardige grondles der Natuur iaat zich veel leevenswijsheid jeeren \ maar men vergeet ze te veel,

Ik

Sluiten