Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 342 }—

coeftaan , of die hunnen Kinderen toelaten , orn naar zulke gezelfchappen te gaan? Ik ben, door Gods goedheid, ook met Kinderen gezegend; maar ik hoop zorg te dragen, dat zij in zulke gezelicbappen niet komen, daar, naar het mij voorkomt , hunne fmaak niet alleen niet verbeterd, maar zeer zeker onherftelbaar bedorven wordt. Hiervoor zijn, mijns inziens, zeer eenvoudige redenen.

De eerfte is, dat jonge lieden, door het geduurig fpeelen , daar zeer op verzot worden, en dus op geene wezenlijker zaaken leeren denken; de tweede is, dat zij, door het fpeelen om geld, zekere winzucht leeren voeden , welke van zeer fchaadelijke gevolgen kan wezen; vergunt mij , dat ik dit nog een weinig omftandiger ontvouwe. Een Jongeling of Meisje van die jaaren , daar wij ftraks van fchreven, heeft nog geen vast inkomen ; zij moeten nog als uit de handen van Ouders of Voogden leeven. Hebben zij al een weekeliiks of maandelijks zakgeld , hiervan zijn zij doorgaands eenige verandwoording fchuldig. Is de Fortuin in het fpel aan hunne zijde , dit is aan den eenen kant goed; doch ook dit wakkert aan den anderen kant hunne zucht tot het fpel al weder op. Loopt het hun tegen; verliezen zij, en dikwijls grof, zodat zij dit aan hunne Ouders of Voogden niet durven openbaaren, wat dan ? men moe: fatzoens halve al weder fpeelen ; de tijd der bepaalde partij nadert ; de beurs is ledig : het is niet gezegd, dat de Fortuin hen dezen avond gunftiger zal wezen ; wat raad ? men neemt andere middelen te baat, en ik ijze, mijn pen beeft op dit denkbeeld ;

men

Sluiten