Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~C 354 )—

ftaatkunde de Latijnfthe taal in alle openlijke verrichtingen had ingevoerd , werd het leeren van die taal voor het eerfte vereischte gehonden, om tot dekennis van eenige wetenfckappen te geraken ; de fchranderfte klooflerlingen kreegen bevel, om de Jeugd 'er in te onderwijzen, en in landen, waar de Hervorming plaats greep, werden publieke fchooien opgericht, werwaards zich allen moesten Rgeven , die tot het onderwijs der Univerfiteiten opgeleid werden. Niemand durfde, toen ter tijd, twijfelen, of alle wetenfchappen moesten in het Latijn behandeld worden, en elk, die zich tot dezelve voorbereiden wilde, moest zich op de kennis van die taal toeleg, gen. En dit is nog hedendaags het algemeen gevoelen in ons Nederland: fchoon men elders de moedertaal in plaats der Latijnfclie begint intevoeren , en de gegrondfte reden meent te hebben , om zulks te doen. Zonder ons in te laten, met het onderzoek, of men, het voorbeeld der Duitfchers volgende en de Latijnfclie zowel, ais andere oude taaien, aan de eigenlijke geleerden overlatende , het welzijn der maatfchappij niet merklijk zoude bevorderen, en de , jeugdige jaaren van aanftaande Leeraars van den Godsdienst, verdeedigers der gerechtigheid, beoefenaars der geneeskunst, en naarvorfchers der werking van de natuur en haare geheimnisfen , niet veel beter zoude bezig houden met leevendige taaien, Gefchiedkunde , Aardrijkskunde, Wiskunst en andere vereischten, noodzaaklijk in elk, die eenigermaate boven het onkundig gemeen wil uitmunten ; terwijl men tevens het onderWijs in godsdienftige zedenkunde, en de zoo noodige

lig.

Sluiten