Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 359 )—

kelwaaren, of zoortgelijken kunnén kwellen. In ftede dan , van de Jeugd met die vreemde naamen optehouden, hadden wij liever, dat men den weg bekortte , door den waaren aard der Latijnfclie taal kenbaar te maaken; ja , eenen gansch nieuwen weg baande, om dien aard, van den beginne af, aan den oplettenden leerling aantewijzen. Hiertoe moest zeker het van buiten learen van eenige woorden voorafgaan; Subflantiva , Adjectiva , Particulae en ook Ferba; maar de Subflantiva, dunkt ons, konden ^gevoeglijk onder het Declineeren aan de Jeugd ingeprent worden, indien men ieder voorbeeld van declinatie, langs alle de noodzaaklijkfie woorden, tot hetzelve behoorende. liet herhaalen, en zij, tert dien einde, onder zulk een voorbeeld geplaatst wierden. Eveneens konden de verba 'al conjugeerende geleerd worden. Vooral , zo men de conjugatie op eene nieuwe wijze inrichtte, volgends een Man, over hetwelk wij niet opzetlijk fpreken zullen; dan, volgends hetwelk al liet onregelmaatige uit de Ferba kan worden weggenomen , en dus het geheugen en oordeel der Jeugd bewaard voor het gevaar , van door hetzelve verftotnpt te worden.

Dus zouden de AdjeCliva en Particulae alleen overblijven , om, opzetlijk , van buiten geleerd te worden. Op dit van buiten leeren volgt gewoonlijk het infeherpen van eenigen der voornaamfte regelen uit de Sijntaxis van V o s s i u s. Toen men, in ons Nederland, Latijnfclie Schooien oprichtte, had men geene andere Grammatica, dan van zekeren Litho conus, opgefteld uit de nagelatene aanmerkingen van

V.D.IV.S. Bb eeni-

Sluiten