Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 378 )-

maar recht, wat het trouwen in heeft ; zij omhels* de haaren Man, toen hij jong was, en paste hem op , toen hij oud werd ; zij bragt haare Kinderen in eer en deugd groot, en is doch nog gelukkig door roofen en doornen heen gekomen. Zij fpreekt bij ondervinding , en wij redeneeren 'er even gegrond over, als een blinde over de kleuren. Het vrijen was in haar tijd zowel klatergoud , als nu: de menfchen mogen van kleeding en manieren veranderen , zij blijven zich zeiven doch altijd in de hoofdzaak gelijk. Mijne Moeder is ook jong geweest , en heeft misfchien verfcheiden haarer Speelnootjes van Minnaars omringd , misfchien ook wel van Echtgenooten verwenscht gezien. Zij heeft oude en nieuwe tijden beleefd , en door haar gezond verlland gemaklijk genoeg af kunnen leiden, dat de waereld altijd iet zots hebben moet, en dat men derzei ver liefhebbers hun ftokpaardje, al is het wat kinderachtig, niet misgunnen moet, zolang zij 'er niet mede over eer en deugd heen galoppeereö.

Nu dan iets over het vrijen ! — Niet als of dit het eenige verftandige gefprek was, dat ik ooit met mijne Moeder hield: neen zeker, Salomo zal ook wel meer goeds van zijne Moeder gehoord hebben, dat hij juist in zijne Spreuken zoo niet gezet heeft. — Ik fchrijve haar gefprek daarover maar bijzonder op, om 'er, van tijd tot tijd, eens in te kijken , als in eene zeekaart, om, fpaart God mij het leeven en verftand, de zandbanken, waar zoo menig een braaf Jongeling op zitten blijft, zonder ooit weder viot te geraaken, de klippen , waarop het

fchip-

Sluiten