Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( S85 )-

fer gaarn kwaad van anderen; wordt zij in elk gezelfchap , waar een ander vergenoegd is, beleedigd, geloof dan zeker, dat Gij zelve zeer dikwijls het ongeluk hebben zult, van haar te beleedigen, temishaagen , en aan haare vitteriien blootgefteld te wezen.

Boven alles moet eene Vrouw niet fpijtig zijn. De Man heeft dikwijls verdrietige bezigheden, en gromt daarom wel eens , als hij vriendelijk zijn moest ; dit behoort eene verflandige Vrouw over het hoofd te zien. Ons geflacht , voegde mijne Moeder 'er bij, fchijnt van zelve tot geduld gefchapen te zijn.. Vrouwelijke zwakheden maaken ons vaaker ongeüeld , en evenwel moeten wü te vreden zijn. Omniet op de tong te geraaken, moeten wij ons menigmaal van onverfchillige zaaken onthouden. Onzen aaöftaandcn Man mogen wij zelve niet kiezen, maar moeten dikwijls onze band toereiken aan iemand, - die ons zoo maar half aanifaat. Bij het Kinderwinnen draagen, -wij -de Gnarten" alléén , en' drievierde, van de opvoeding rust op onze zwakke fchouderen. In het holst van den nacht, midden in den wiwirr,-vijf- zes - maal uit het bed'te ftaan , om eenen kleen.n fchrceuwleelijk, te vreden te Hellen , terwijl de Man-geruit op één oor ligt., moet ons niet vennieten. — Zijn Wij dus in alle opzichten tot lilden g'cfctiapen, dan is geduld zekerlijk de kroon van een Menie, en dat geduld is gelukkig meestal in (laat, cteoplopendae¥.chtgenooten,als'erïiog maar wat gevoel in hun hart is, den dreigenden dolk te ontrukken, — geheel te ontwapenen, — of ten minden tot een minzaam accoord te brengen. Maar ongeduld , en

fpij-

Sluiten