Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—r 408 )—

was hec: „die ondeugende ftoof, die ftoure tafel, flaag, flaag, (laag , moeten zij hebben , hebben zijmijn lieve Kind zoo gefloten, zoo laten vallen, toe Pietje, geef gij ze klop, als een man." Deze ftraf over het gevoelloos huisraad bevredigde meestal den kleenen.

Nooit was 'er meerder leeven, dan als zijne Moeder hem het aangezicht wasfchen moest. In plaats van ,. in weerwil van zijn fchreeuwen, haaren gang te gaan, of hem te beduiden, dat hij zelf zoo niet morfen moest met zijne boterham, maar ze fchoon opeten , dat hij dan niet behoefde gewasfchen te worden ' kreeg de arme hond de fchuld. „ Heeft die vuile* hond mijn zoeten Jongen daar weer zoo fmeerig gemaakt? Niet weer doen Tiet, of wij zullen jou ook eens beet nemen." Terwijl de moeder dit zeide, keek Piet al rond, of hij den hond niet zag, en naauwlijks kon het vriendelijke dier naar hem toekomen, om aan zijne hand te lekken, of'de kleene dwingland neep het beest, als de oorzaak van het verdrietig wasfchen , zoo vinnig in de ooren of trok het bij den ftaart, dat de arme hond hu'izen noog fchreeuvvde.

Dus gewende Piet zich altijd , als hem iets onaangenaams overkwam, op eene onfchuldige oorzaak te wreeken. Van daar kon geene dienstmaagd , welke hi, geduurig neep en krabde, zonder daarover iets bij zijne Ouders te vreezen te hebben, het langer bij hun houden. Ouder geworden , lag hij geduurig overhoop met ziine vrienden, en zich altijd op hun niet kunnende wreeken, koelde hij , te huis gekomen f

niet

Sluiten