Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 516 )-

Jopen , en geen woord meer tot aanprijzing vstt mijnen raad. Ik ben enz.

(Dertiende Brief.)

Lieve Amelia!

Uwe kleene wandelt nu in huis en tuin om , tri leert allengskens zijn verblijf, de waereld, kennen. Hij "o-ntfluipt U uit de kamer , of het regent , of waait of fneeuwt, het mag warm of koud zijn. Dati komt hij eens bij U, doornat van den regen, dan eens blaauw van de koude. Laat hem maar voordgaan op dien weg ; want daarop vindt hij een fchat van gezondheid, en eigen ontwikkeling en vorming zijn3 geeftes. Wacht U wel , hem van denzelven terug te houden, of hem te berispen, als hij zomtijds eens wat morzig bij U komt; zorg liever, dat hij niet weeküjk worde. Laat hem fteeds lopen met het hoofd en de borst bloot. Leer hem het weer , hoe het ook zij -, zich altijd te laten welgevallen. Welk eene menigte van klagten , wenfehen , kwaade luimen, welk eene afgrijslijke maat van ontevredenheid ontftaat 'er niet bij eiken kouden regenachtigen dag in den herfst, ofheeten dag in den zomer enz. Is het wezenlijk niet bedroefd, dat men dagelijks het geluk van zoveele duizende menfchea.ziet afhangen van de zoo noodige verandering van het weder, en is het, uit dien hoofde, der moeite niet waardig , dat de opvoeders ook op dit ftuk wat naauwer acht fiaan! Al dat kwaad ontftaat

»1-

Sluiten