Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJ.

HET

GEWETEN.

(Lierzang.)

6 \jrij, die in het eeuwig licht, Uw' diamanten troon, omftuwd van Cherubijnen, ' Op *t glinftrend ftargewelf onwrikbaar hebt gefticht, En door het wijd heelal uw heerlijkheid Iaat fchijnen: ~> Pij, die, door uw geduchte hand, Der menfchelijke ziel 't bezef hebt ingeplant, Waardoor zij haaren pligt aandachtig op leert merken, Tot lof van haaren Opperheer! Zend Gij een vonkje van uw milden invloed neer, En wil mijn pooging door uw hcmelkracht verteriten {

Sta mijnen zwakken dichtgeest bij, Daar ik 't vermogen van het waaiende geweten,

Dat in het menschlijk hart, met ftrenge hcerfchappr], Den vrijen fcepter zwaait, en, daar ten troon gezeten, Uw hooge Stedehoudfter is, In dit germg tafrecl, ontbloot van *t waar vernis, Voor mijn' Natuurgenoot, naar mijne kracht, zal maaien! 6! Laat uw gunst, het hoogfte goéd, De vaste rotsüeen van mijn wankelbaar gemoed, Jtlij, in 't volvoeren van die groote taak, beltraaleu!

E:-

Sluiten