Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( S6S )-

Voorheen, eer de Opcrrbaaringzon Uit de, oosterkimme van Gods liefde was gerezen,

Eer haar gewenschte loop zoo luisterrijk begon, Moest ons 't gewisfe alleen ter heldre leidltar wezen: Het wees den mensch het heilfpoor aan, Deed een bezef van fchuld in 't bange hart ontdaan , Of in het rein gemoed den besten vrede prijken, Kaardat de blanke heiligheid, Op 't altaar van de ziel, zich offers zag bereid, Of voor het fcbandlijk kwaad en zijnen iloet moest wijkes.'

't Was dit vernederend gevoel, Dit klaar bezef van ichuld en roekloos overtreden,

Waaraan de Aartsvader op 't verfchriklijkst ftond ren doel, Toen hij Gods wet vertrad, in 't rijk gezegend Eden: De kennis van het goed en kwaad Ontdekte aan zijnen geest den aard van zijnen ftaat., Terwijl het denkbeeld van 't begaan der eerfte zonden Hem zijne ondankbaarheid verweet, Hem voor het alziende oog der Godheid vlieden deed. Wier onbegrensde gunst hij fchandlijk had gefchonden.

<>

Voor deze vierfchsar van het hart, Werd Kaïn overtuigd van helfche gruwcldaaden —«

Van fnooden broedermoord, die alle wreedheid tart, En in wiens ijslijk woên Natuur zich ziet verraaden: Hier bleek zijn misdrijf onverbloemd — Hier werd hij reeds tot ftraf en grievend weê gedoemd, Toen hij voor de Almagt nog zijn fnoodheid wilde dekken; 't Geweten fprak het vonnis uit, En donderde in zijn ziel, met vrcesfelijk geluid , Dat Aeel's ichuldloos blued hem eeuwig zou bevlekken.

Schoon

Sluiten