Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C sr» 3-5

<> ,

Geen rots kan, in den oceaan, Bij 't bulderend geklots der opgeruidde baaren,

Met grooter vastheid in het bruifchend pekel flaan, Dan een ge vestte ziel, in veege lijfsgevaaren;

De orkaan raoog', door zijn woefte kracht, Van beide poolen, door de lucht, bijeengebragt, Den grijs geworden eik, hoe vast hij ftaa, doen wijken; Waar niets kan 't welgefteld gemoed, Aan de altoosvolle borst der trouwe deugd gevoed, Waar 't zijnen Godsdienst geldt, in ijver doen bezwijken.

<>

Thands lust het mij, terugtetreên , Tot daar mijn dichtgeest U, in zijn belpiegelingen,

Reeds fchetfte, hoe de mensch zich vaak, doordrift beflreÊo.. Den Krengen teugel van 't geweten laat ontwringen; Wen hij, hoezeer zijn' pligt bewust, Door toomelooze drift, of ongebonden lust, De luide ftem der deugd niet meer in 't hart hoort klinken, Maar thands voor wet noch ftraf beducht, Zich zelf in 't donker woud der zonde ontvlucht, Waar fchaarsch de glanlèn van het licht der reden b links»,

<>

Ei! zie eens, hoe de gramfchap woedt, En duidlijk uitblinkt in de donkre wezenstrekken

Van dien wraakzuchtigen, in wiens verhit gemoed Men eer den tiiger, dan den Kristen, kan ontdekken! Zie eens, hoe zijne ontroerde borst, AI zwoegend, naar het bloed van 't deinzende offer dorss, En, hoe het toornevuur ftraalt uit zijn brandende oogen! Zie eens, hoe hij van woede beeft, De menschlijkheid vertreedt, den besten raad weérftreeft. En zinloos zich aan tucht en wetten heeft onttogen!

Hel?

Sluiten