Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 576

De hcerelijl ftc llaatfiekroón Diukï wonden in hcc Hoofd der trotfche waereldgoden;

Het purper en iiuweel zijn, 0p den rij'kften troon,' Zelfs hard, wen vrede en r'uSl der ziele zijn ontvloden; Het dons ftieck de 1 verwijfden niet; Het prachtiglte paleis, waar overvloed gebiedt, Waar kiefche keurigheid en juiste fmaak regeeren, Is aaklig voor het kwijnend hart, : Dat, eindeloos ontrust door bange boezemfmart, In 't midden van 't geluk, 't genoegen blijft ontbecren.

<>

Hiertegen is de flaavernij, De wreede fmeedfter der onzalige ijzren banden,

Zelfs dragelijk en zagt, wanneer de onnoosle, vrij Van zwarte zondenfchuid, zich nimmer aan ziet rande» Door 't doodeiijk gcvi Ig van 't kwaad, ' Door wroeging, die de krachs van 't beste goed weêrftaat. Het kaf' ftrekt de onichuld tot een zagte legerftede: 't Genoegen Bert haar' (chraalen disch, Waar fobre fpijs banket, en water nektar is: Geen voedfèl fmaakt zoo zoet, als de echte ziüevrede.

O

6! Welk een overheerlijk- lot! 6! Welk een vaste grond van wankelloos vertrouwen!

Wanneer de ziel zichzelve, in 't bijzijn van haar' God, Met een naauwkeurig oog, aandachtig durft befchouwen, En dan, fchoon niet van finet bevrijd, Zichzelf geen euve'daên, geen tergend kwaad verwijt, Maar vrij kan fpreken van moedwillig overtreden!

Schoon 't heil ons [Steel', of't lot ons haat', Der ziel, die wel met God, en met zichzelve ftaat, Strekt alles tot een bron van loutrc zaligheden.

Z$

Sluiten