Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 581 )-

Kom, volg mij fchreijend derwaetds heen! Misfchien kan dit tafreel, hoe ijsfelijk, ons leeren,

Misfchien ons van het kwaad, met fpoed, terug doen trein, ïn van het kronkelpad naar 't wis bederf bekeeren. ó God! wat fchrikkelijk gezicht, Dat zelfs ontroering in verfleende harten flicht! Wat deerniswaardig eind'! wat jammerlijk verfcheijen ! Heet dit, verwaten flerveling ! Wiens ziel zooveel genade en lichts van God ontving. Heet dit U tot het doel uws leevens voorbereijen?

Het doodzweet, dat in bloed verkeert, Gust langs het ligchaam af, doorweekt de matte leden;

De bange boezem klopt, door knaagend wee beheerd, En 't aanzicht draagt het merk der naarfte angstvalligheden; Nu is 't misleidend veinzen uit; De diepfle fchuilhoek, die 't verborgendst kwaad befluit, Spreidt een gevloekte rei van fchreeuwende euveldaaden, Voor 't reeds verduifterde oog, ten toon! Is dit, ó dwaaze zonde! is dit uw rijke loon? Wordt uw beminnaar dus, door U, in 't eind' verraaden?

<>

Helaas! de zondaar leeft niet meer! Hij is ter vierichaar van zijn' Rechter heengetogen!

Leer ons, hieruit, weldoende en gunstrijke Opperheer; Altijd getrouw zijn, voor uwe aldoordringende oogen 1 Leer ons, in Jezus bloed geret, De minlijke eifchen van de vlekkelooze wet, Die gij der tafel van ons hart hebt ingefchreven, In weerwil van het hevig WOen Der woeste driften, in oprechtheid hulde doen, ïn naar het vooifchrift van het rein geweten leeven I

Sluiten