Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pp; de ademhaaüng wordt moeilijk; de pols flaat ongeregeld; dikwijls gevoelt men geen polsflag. — Deze toeftand duurt langer, of korter, naar evenredigheid van den ftaat van 's menfchen zenuwgeftel. Eindelijk verandert deze toeftand, en gaat in fmart, hoopeloosheid, of , bij fterker geitellen, in verontwaardiging, woede, en wanhoop over. Het laatfte heeft plaats bij galachtigen , en zwartgalligen; heteerfte bij bloedrijken, en, naar gelang der omftandigheden, ook bij waterachtigen. In deze eerfte oogenblikken, waarin de natuurlijke mensch geheel lijdt, is hij onvatbaar voor eenigen indruk. Gefchokt in zijn zenuwgeftel, heeft hij rust noodig, om weder bij te komen. Troost en aanfpraak vinden geen ingang in de ziel , maar verbitteren haar veeleer. Men moet den veroordeelden als dan rust en verhaal gunnen, welken hij het best zal vinden , wanneer hij, in die eerfte oogenblikkeu, geheel aanzichzelvea overgelaten wordt.

Daar ik dikwijls, door mijnen rang en post, (*) als aanfchouwer bij het vellen van doodvonnisfen .was, hebbe ik dikwijls de volgende opmerkingen gemaakt. Volbloedige menfchen zonken meestal, bij het aauhooren van hun vonnis, machteloos ter neder. Als zij zich , na een langen tusfchentijd , herfteld hadden , ontwaakten zij als uit een benaauwden droom. Dikwijls vroegen zij, waar zij waren, wat

hun

(*) Het zijn aanmerkingen van den Hef mui vak Ec

JlAt tsuauseh.

A s tot

Sluiten