Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-(II )«

ve misfohien maar ééns in het geheele leeven naar haare ftem luisrert. Wanneer de mensch zich geheel ellendig en troostloos gevoelt, heerschc'er nog een ftreeven naar geluk en zaligheid in zijn hart; dan roept zijne verbeelding alle genoten vreugd des leevens, al deszelfs waare goed, terug; ja, dan ontwaaken dikwijls in het hart des misdaadijiers de beste neigingen , welke 'er tot nog toe altijd in fluimerden : als kinderliefde, huwlijksmin, en vriendfchap, waardoor nu dat geheele hart vervuld wordt, en zich uit deze beginzelen leiden laat, werwaards men wil. Ontdekt men zulks bij eenen veroordeelden, dan is het niet moeilijk, hem ten dood voortebereiden. Het gedenken aan het voorwerp, waarmede hij zich bezig houdt , maakt hem gevoelig, en het verlies zijns leevens wordt voor hem op zichzelf min fmartelijk. Bij zulke menfchen is het denkbeeld van de toekomst, van de wederontmoeting aan gene zijde des grafs, de krachtigüe beweeggrond; gewillig fterven zij, om eens gelukkiger voor de hunnen te kunnen ontwaaken. Dikwijls zijn 'er ook goede menfchen , die alleen door verleiding tot eene booze daad gebragt zijn; menfchen, die waarlijk het hoogde medelijden verdienen ; die hunne misdaad, in derzelver geheele grootte, gevoelen; en die den dood blijmoedig te gemoed zien , wijl zij hem als een middel befchouwen, om hunne misdaad nog eenigzins te vergoeden. Zoo hoorde ik eenen daglooner, die om huisbraak, waartoe hij van anderen verleid was, derven moest, in de laatde uuren zijns leever.s, zeggen: „duizendmaal wilde ik wel

der-

Sluiten