Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijven; Men kan hun j uit de vólgende, geenjzinif twijfelachtige, teekenen, zeer gemaklijk leeren kenJ nen. Hunne huid is hard en bruin, hun gelaat geelj Zij zijn buitengewoon mager; hunne bloedvaten zijn hard en naauw; hun bloed is dik, en (lijmerig, waarvan de overige vochten met moeite worden afgezonderd. Zij zijn treurig, nadenkend, wantrouwend , en vreesachtig ; alle eigenfchappen uit de opgegeven oorzaaken oorfpronglijk. Want wijl de vaten eng, en de bloedbolletjes dik zijn, zoo moet natuurlijk de omloop des bloeds bezwaarlijk gefchieden •, dit veroorzaakt eene drukking tusfchen de bloedbolletjes en de wanden der , te naauwe , bloedvaten ; deze onzichtbaare drukking kan geene plaats hebben , zonder eene wezenlijke , fchoon ge> dempte, fmart in het ligchaam, welke , door de aanhoudendheid, mismoedige, envriendlijke trekken in het gelaat drukt.

Brengt nu een mensch, met zulk een temperament , in de gevangenis; laat hem eenige maanden in dezelve doorbrengen, en befchouw dan, hoedanig hij gefield zal zijn. Zonder opvoeding, zonder grondftellingen, is hij als een dier tusfchen vier rnuuren opgefloten. Men weet, dat de afzondering van menfchen, bij verftandigen, ja bij geleerde menfchen, dikwijls treurige gevolgen heeft: men wordt , dus aan zich zelf overgelaten , verwilderd, menfchenfchuuw. Natuurlijk moet dit allerfterkst plaats hebben bij den mensch, die oorfpronglijk reeds daartoe eenen bij zonderen aanleg heeft. De enge kerker , waarin hij leeft; de eenzelvigheid der voor-

wer-

Sluiten