Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 67 )-

achte en beminde Lücius, is geen verfierend lid der maatfchappij meer ,• hij, wiens beoefenend verftand, wiens werkzaame deugd, vreugde en geluk om zich henen verfpreidde, worde nutteloos voor alle zijne betrekkingen, en verpest het lot van zijne dierbaarfte lievelingen. Schande en verdriet verzeilen hem. Welk eene verandering ! o Ja, mijn vriend! ik zeg niet te veel , geen fchamper verwijt vloeit uit mijn hart , maar de vuurigfte wensch voor uw heil. Ach ! kon mijne oprechte trouw, mijne nutbedoelende vrieudfchap , mijnen Lucius aan zich zelf en aan de Maatfchappij wedergeven!

Hoe menigmaal verachttet gij , niet minder, dan ik, demenscheidonteerende dronkenfehap; eene ondeugd, welke zich maar al te veel fchikt naar de, zoo raschnaar woestheid hellende, driften onzer Landgenooten ? Gun mij, ongelukkige vriend! gun mij de haatlijke beeldnis van dit fchrikgedrocht voor uwen geest te fchetzen! Zie, en bloos! Gevoel uwe grootheid, en fchuuw al fidderend het monfter, dat uwe waarde verflindt! Wat is de mensch ? Is hij niet het edelfte, het verhevenfte Schepzel der zichtbaare waereld? — het beeld van den onzienlijken Schepper! Is hij niet het affchijnzel van de heerlijkheid des Eeuwigen ? Schittert in hem niet een vonk van het ongefchapen vuur , dat door de geheele aanwezenheid tintelt ? Ja! de almachtige, de Vader van het heelal, verlustigt zich in zijne ftoflijke Kinderen , in wier beftaan de trekken van zijn eeuwig aanwezen zoo luisterrijk uitgedrukt zijn. BeglansdeSeraphijnen, die in de volmaaktfle wooningen der Godvrucht verkeeren, en het eeuwig E s licht,

Sluiten