Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~C 74 )-

buhe„ üw?f§ ik VQnd fi y ^ ^

™ een onzinnigen Menfchenhaater; mijne vrienden-

o" £ ee"e flU,'merige ^"loosheid

optewekken, maar a!Iee„ om mij, wien gij een zweem

van kennis rcneenc roetedragen, met de buitenfpoo «gfle verrichtingen, en lasterendfte fcheldwoorden te overlaaden ; ik verfpi,de niet een woord tegen U Wil gij nier vatbaar voor reden waart; uwe bemin! nenswaardtge wederhelft zogt het leed , dat haar verteerde, te verbergen, en mij, ondanks haarlijdend hart , door verwijderende gefprekken van U afteleiden, maar te vergeefsch: „We woede fcheen voedze „oodig te hebben; „we tergende befchimpingen deeden haaren moed bezwijken; een vloed van traanen was al haare verandwoording; ook dit vergramde U, en de ijsüjkfte bedreigingen ftormden van uwe lippen, waarop voorheen liefde en vergenoeging woonden De fchre.ende zuigeling, in de„ arm van uwe Echtgenoot, was niet veilig voor uw geweld, hem en zijne Moeder dreigdet gij Cp het hart te trappen. Een bevallig wichtje , dat nog kommerloos in djj kamer fpeelde, doch door uwe woedende flem verfchnkt, ü door liefkoozingen zogt te bevredigen ™ welligt het offer geweest van ;uwe verwilderde' dr.ft. Ik ontrukte het beevend wichtje aan uw ver woedde vuist, en droeg het, terwijl ik de jammerende Moeder geleidde, in eene andere kamer. Goede hemel, ik moest de Echtgenooteen Kinderen van mijn dierbaarden boezemvriend befchermen J E* tegen wien befchermen ? tegen een Wederhelft en Vader. Lucius 1 waar ftaat gij bloot voor? Verbeeld

Sluiten