Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 91 )-

dikwerf van de gevaaren des doods ? - Van de monfters, en van de nog fchandelijkcr ondieren, de Europeaanen? — wie deed dit.

De Zoon.

Gij, mijn vader!

X'otilaqua.

En Gij , wien ik onverzogt het leeven gaf, Gij weigert mij thands den verzogten dood? - Ondankbaare! wie leerde U vegten.en worftelen? Wie maakte U ontzachlijk, en wie toonde, hoe men de fchedels der vijanden afvilc,

De Zoon.

Gij, mijn Vader.

XoTILAQ ÏA.

En echter wilt Gij thands de knods niet over mij opheffen ? Gij wilt mij , krachtloos van ouderdom, laten bédelen om den dood? _ Zoon! ik vloeke ü, gelijk nog niemand gevloekt werdt. Zijt een ilang der Christenen! en fterf onder hunne geesfelroeden, of, blijft Gij hier, zo word ten fpot uwer Broederen! Heb geen Zoon, tot wien gij U wenden kunt, als Gij eenmaal grijs zijt, en op uw eenzaam leger ligt te kermen. Zijt gedwongen

Zoon.

Hou 0p, mijn Vader, houd op met uwen Vloek!

Xotilaqua. (hem nog eens de knods toereikende.)

Nu zijt Gij mijner waardig. Zoo zij de vloek afge-

was-

Sluiten