Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ Naauw zzg ik ," dus riep liij, „ uw' Dochter iéns aa»3

Of 'k voelde in mijn boezem het minvuur ontftaan, Mijn zielsrusL — e ja —.is eeuwig daar heen,

Zo ik niet, met haar , üi het huuwlijk kan treénj 6 Reik mij derhalvcn, als VTacler,de hand, En knoop ons te zamen door den edelihn band!"

De Vader, bedaarder, dacht alles eens in , En vroeg zich: „ eilieve, wie geldt deze min?

Gewis niet mijn Kind, zoo fraai , als de nacht: Neen: het geld lokt gewis den Vrijheer van kracht."

Hij gaf hem dus duidlijk en rasch te verftaan, Dat hij zeer gerust naar eene ander' kon gaan.

Doch onze held houdt zich, als of hij 't niet vat,

En vleit dus de Moeder en Dochter zoo watj Hij zwetst braaf van min en teder gevoel, ' Van trouw, van een fmartelijk liefde-gevoel, Zoolang en zoo breed, tot dit paar, gansch verrukt, Den ouden geweldig het jawoord ontrukt.

Met-hevige mienen roept hij nu, verblijd, ,. Gevoel nu, mijn hart! hoe gelukkig gij zijt!

ó Zalige dag, die 't edelst mij biedt, Hoelang nog! verwijl, d verwijl toch nu niet!

Ik hebbe geen rust: neen ik, hebbe geen duur, Voor ik haar omarme in he: zegenrijkst uur!"

Sluiten