Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning A d ê l s t a n II., de verkiesbaarheid tot den throon flechts tot éénë familie te bepaalen. De Wijzen zagen , dat de hoop , hoe verwijderd dezelve ooi: nog was, om eens misfchien met het koninglijke hoofdfieraad te pronken , menig een hoofd op den hol bragt, inzonderheid, nadat de keuze eenmaal op den zoon eens landmans was gevallen ; en dat Aethopan's eerzuchtige jongelingen niet juist zoo zeer trachtten, zich door ftille deugd wezenlijk verdienstelijk te maaken , als wel door openlijke daaden flechts te fchitteren. Daar nu , na den dood des wijzen en beminden Konings Adelstan, deszelfs Zoon, van den zelfden naam , gekozen werd , en deze zijnen Vader in wijsheid en deugd nog overtrof ï daar de naam van Adelstan met achting in elks mond was, en de Aethopaner zich vrolijk en dankbaar op zijnen Adelstan II; verhief, vestigden de Koningsrichters , voor het vervolg , deze fchikking ; dat de Kroon alleen in het edel geflacht der Adelstans zou blijven , zoolang 'er mannelijke erfgenaamen uit dat huis zouden zijn: dat dé Kroonprinfen uit hetzelve door de wijste mannen zouden voorbereid worden tot hunne beflemming, om eens eerfte dienaars van den Staat te zijn; en dat , bij meerdergetal van erfgenaamen, de hooge Raad, door Konings - proeven, de Kroon aan den waardigflen toe zou wijzen.

Overeenkomftig deze fchikking , kwamen, na het overlijden van Adelstan II., zijne drie Zoonen, Hos-

sin, een jongling van een zeer edel hart, maar gloeiende van een hevig en dikwijls verteerend drifivuur; —

Tar-

Sluiten