Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( i87 )T

„Komt," fprak Hussin tot zijne Broeders , „la»t ons nog een uurtje broederlijk onder den beker der Vriendfchap doorbrengen: welhaast huldigen wij U, Abdal, als onzen Koning, als den waardigften onzer, met het alleroprechtere hart. "

Men bragt hun bij eenen Geneesheer, die hun eenen krachtherftellenden drank uitfehonk, waarvan hij wonderen verhaalde. Op hunne voordduurende Broederliefde, ledigden zij den eerften beker , en wel zoo haaftig (Tardin uit dorst, zijne edeler Broeders uit drift) dat zij , eerst bij het proeven van den tweeden beker , bemerkten , dat de zoo geprezen drank van den Doftor niet fchoon en wanfmaaklijk was. De Doctor nam den beker, onderzogt dien, begon te beeven, en riep gillend uit: „Abidah erbarme zich 1 ik heb mij vergrepen, het is gif !" hiermede liep hij de deur uit.

Als van het onweder getroffen, ftonden daar de Prinfen , en voelden reeds het gif in hunne ingewanden woeden. Tardin viel van fchrik terftond in onmacht. Hussin vloekte den Arts; maar Abdal bevredigde hem, en reikte hem de hand, met deze bede: „vloek den ongelukkigen niet, die buiten dit voor zijne onvoorzichtigheid genoeg zal moeten boeten." Met ontfteldtenis liepen ook de Wijzen toe, en zeiden , dat 'er geen tegengif was voor dat veni n , waarvan men , na weinige uuren , de rampzaligfte uitwerkingen zien zou. Tardin kwam weder bij, en beklaagde luidkeels en weeklaagend zijn lot , terwijl hij fchreiend alle aanwezenden om hulp bad. ,, Welnu," fprak Hus sin , „ men moet toch eens N 4 fter-

Sluiten