Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 192,)—

hemelwsards » en vallen mm een donderend gedruisen ter neder. Het (chip Hingen, heinde en ver: alles dreigt eenen wisfen dood ; de wind verheft zich nog meer ; de ftorm wordt hoe langer zoo heviger; de zeeman roept, in den angst, tot zijnen God: dan Hij, de eeuwig Wijze, die niets doet, dan 't geen goed is, verhoort, voor ditmaal , de pede der ellendigen niet. Hij weet waarom, en nu doet eene nog vreeslijker ftorm, dan de voorige , het groote zeegevaarte verbrijzelen, en de fchepelingen in den grooten oceaan omkomen! Hoe worftelt thands elk met den dood : hoe zieltoogt ieder , al worftelende , in het water ; hoe denkt elk rechtfehapen Man om zijne lieve Wederhelft , elk regtgeaarde Vader om zijn, van hem ?oo geliefd, kroost: hoe wordt thands de hoop verzwolgen van den braaven Minnaar , die zich gevleid had, eens de gelukkige bezitter te zullen worden zijner , hem zoo geliefde , Minnares ; hoe hartverfcheurend herinnert zich thands een ander de traanen , die hij zag ftorten van zijnen besten vriend: toen hij hem , toen zij beiden eikanderen het laaifte vaarwel toeriepen ; doch geene njenschiijke hulp kan baaten: Hij, de Vrijmagtige, tot Wien niemand zeggen kan , wat doet Gij? vind goed , door middel van de wind, een einde aan het leeven van deze zijne redenlijke Schepfelen te maaken.

Eerbiedigen wij, hierin, mijn Vriend, de hand van God! Hij, die ons gefchapen heeft, heeft ook volkomen recht, om ons het leeven te doen eindigen, op

zulk

Sluiten