Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— C 20J» )—

atlerfterkfte gronddrift onzer natuure is; dat aan hm alleen alle overige driften der menfehelijke ziele onderworpen zijn; dat zelfs de edelmoedigfte poogingen van het welwillendst hart oorfpronglijk uit haar voordkomen ; en de zuiverfte deugd haare bemoediging volftrekt zoeken moet in de ftreelende bewustheid van eigen veredeling en begelukzaliging. Op deze gronden hebben zij eene zedenleer weten te bouwen, welker eerfte grondles is: volmaak u zeiven. Doch, hoe eigenzoekend, hoe baatzuchtig deze regel , in den eerden opflag , ook fchijnen mag, hij wederfpreekt echter geenszins onze eerst opgegeven Hellingen, daar die zedenleeraars, uit denzelven', alle algemeene wederkeerige plichten der menfchen zeer natuurlijk afgeleid, en daardoor de overeenftemming der zedenlijke waarheden in het helderffe licht geplaatst hebben. En wel verre dat eigenliefde en menfchenliefde met elkander zouden flrijden, ftrekken die wijsgeerige (tellingen ten duchtigfren bewijze, dat de eene door de andere veredeld wordt, en dat de fchijnbaare opofferingen , welken de laatfte zomtijds van ons afeischt , ten laatften zelve rijke bronnen van het edelst zelfgenoegen worden. En dus geniet die ziel alleen haar beftaan op de edelfte wijze, bij wélke beide dte hoofddriften in eene juiste overeenftemming werkzaam zijn.

De neiging, om het geluk van onze medemenfchen te bevorderen, en hun leed te verminderen , mag al ondergefchikt zijn aan de fterkfte eigenliefde , zij is nogthands het menfchelijk hart even natuurlijk eigen, als die hoofddrift. Op zoo veelvul-

di-

Sluiten