Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C «3 >~

voord kunnen brengen. — Onwaardiger is het nogthands , wanneer men hun de ellenden flechts van eene befpotlijke of verachtlijke zijde aan laat zien; hetgeen, helaas ! ook maar al te dikwijls gefchiedt. Verdienen immers de dwaasheden en gebreken onzer natuurgenooten ons medelijden , hoe veel meer zouden het dan hunne rampen niet doen?

8.) De Ouders zoowel, als de Opvoeders, Vrienden en Bekenden van aanzienlijke Kinderen geven hun , gewoonlijk, geene voorbeelden genoeg , in hunne woorden en daaden, van echte menfchenliefde; dikwijls behandelen zij hunne dienstboden en alle geringer menfchen met onverfchiliigheid , onbefchoftheid en wreedheid. Niet zelden geldt bij hun een paard of hond veel meer, dan een gemeen mensch. Hoe zou nu het Kind menschlievende ge. voelens in het hart kunnen leeren koefteren , daar het beminde en geachte voorbeeld van zijne Ouders enz. dezelven niet Hechts niet bevordert, maar veeleer uitrooit ? En wanneer dezen , zomtijds al daaden van welwillendheid hebbende uitgeoefend, daarover, uiterlijk, veel minder genoegen en zelftevredenheid betoonen , dan over eenig ander voordeel of gelukkig toeval ; moet dan het Kind, niet vroegtijdig, de zelfbelooning van een welwillend hart voor onverfchillig en gering leeren aanzien, en hetzelve van minder waardij befchouwen, dan van alle ander eigenbaatig vermaak ?

9.) Eindelijk, maakt de gemaklijkheid der opvoeding , de verregaande weelde der leefwijze , en verkeerde vertedering van het hart, het Kind van

aaa-

Sluiten