Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—•( nas )—

geeft tor zelfvoldoening, en een fpoor ftrekt, offi' zijne loopbaan moedig te vervolgen.

Schoon ik geloove , mij al vrij duidlijk verklaard te hebben , tegen welke wezens ik wenschte , dat Gij uwe pen opvattedet, zal ik echter hier het charakcer van één hunner ter nederftellen , waaruit men gemaklijk zal, kunnen opmaaken, dat ik, niet zonder reden, U tegen den geheelen hoop van dat Volkje in het harnas wilde jagen.

Spondeus was, van zijne jeugd af aan , mijn kennis, naderhand mijn vriend. — In onze opluikende jeugd, hadden wij beiden eenige zucht voor de Ietteroefeningen, en dit gaf aanleiding tot eene naatiwer verkeering , dan wij misfchien anders wel zouden onderhouden hebben. — Beiden begonnen wij vaerfen te maaken , en hij flaagde hierin zoo gelukkig, dat men hem welhaast met den naam van den jongen Dichter Spondeus vereerde. Mijne gedichten werden ook wél gelezen, en, om niet valsch nederig te zijn, ook nu en dan met en lofgalmpje vereerd, maar Spondeus overtrof mij, en ik geloof in waarheid , dat het algemeene oordeel mij hier geen Onrecht deed.— Ongelukkig had de roem, dien men aan de vaerfen van mijn vriend toekende, dien invloed op zijn hoofdgeftel , dat hij zich welhaast als den voornaamften kunstmeefter wilde bewierookt zien, zodat de lof, dien men anderen gaf, nooit door hem wierd toegeftemd, maar hij integendeel dien altijd verkleende, en wel met aanhaaling uit zijne ei°-en werken, waaruit hij beflisfend meende te betoogen , dat hij voor grooter Man behoorde doortegaan. — Alwie

Sluiten