Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

HET

WAAR GELUK.

Waarom zoekt de redenlijke Mensch, zonder ophouden , en maar al te dikwijls wanhoopend, naar een voorwerp; dat zich zoo vleiend aanbiedt? Een voorwerp, dat, met Godlijke bekoorlijkheden, onze werkende reden toewenkt; dat ons de beekeu van eeuwigen wellust aanwijst; ons noodigt, om daaruit met volle teugen te drinken; en de onverwelkbaare glonepalmen moedig te plukken. Ik bedoel niets minder, dan het waar geluk. Moedelooze natuurgenoocen! de naam zelfs ftort den trooftenden balzem in uwen boezem. Ja! het waar geluk verzelt uwe treden, het vleit om uwe hand, opdat het U veilig, langs heilrijke paden, naar de volmaaktheid geleide. Waarom erkent Gij de ftem niet van haar, welke Gij zoo rusteloos meent naartejagen, terwijl Gij haar zinneloos ontvliedt. Verbant die flaaffche angstvalligheid , welke uw geest ontadelt, en uwe

waar-

Sluiten