Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 249 )—

een oprecht en nederig hart. En dit oogmerk kaa nimmer bereikt worden , zoolang de menigte in het begrip is , dat de Leeraar, als het ware, zijne eigen zaak , zijnen eigen roem , en geenszins de eer van God, en het heil der Toehoorers, beoogt. Het laat zich dus gemaklijk begrijpen , dat de oorzaak van dit, zoo algemeen heerfchend, valsch begrip gelegen is in het gedrag van den Leeraar, zoowel op den Predikftoel , als buiten denzelven ; terwijl de Gemeente in hem, doorgaands , geenszins dien kundigen , dien welmeenenden, dien goedwilligen Man, dien Weldoener en Vader vindt, welken zij in hem verlangt, en ook behoorde te vinden , indien hij zich gevormd had naar het beflisfend voorbeeld van den grooten Stichter des Christendoms , van Wien zelfs de onkundigften en bevooroordeelden getuigeB moesten: waarlijk , ahoa heeft nog nimmer iemand: gefproken.

Onder de Roomschgezinden , 't is waar, behoudt het Predikwezen , zo het fchijnt, totnogtoe, den meeften invloed : 't welk toetefchrijven is aan het gezag , welk derzelver Geeftelijken nog bezitten ; aan de onkunde , welke, over het geheel genomen, bij de Leeken heerscht; aan de gewoonte , welke onder hen plaats heeft , om minder te Prediken , en vooral aan de meerdere bekwaamheid , welke aan derzelver Geeftelijken eigen is , om zich , in hunne leerredenen , naar de vatbaarheid der menigte te fchikken. Misfchien kan men zelfs , met recht , beweeren , dat veelen hunner dit ftuk al te fterk drijven, en daardoor tot eene gemeenzaamheid en R 3 po~

Sluiten