Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C =79 )-

jen aan de fteel , en met een Afgod en een Oliphantje verfierd , waarop twee verfche roofen geftoken waren.

Na dit gezang volgde een Gebed , dat door den inhoud zoowel, als door de wijze, waarop het gezongen werd , zeer aangenaam was. Terwijl de gemeente dit Gebed nabad, hoorde men geene klokjes, maar befprengde de Braman met een kleen fraai fprengbekken, dat hij van het tafeltje nam , eerst de Afgoden , en daarna de gemeente; daarna goot hij, gelijk het in den Tijbetkaanfche Godendienst gebruiklijk is j voor het aangezicht der Goden , eene , tot wijwater beftemde, vloeiftofFe over een vat uit, en veegde met een doekjen door de lucht, even als of hij het aangezicht der Goden wilde afwisfchen. Uit het vergulde potjen , in hetwelke hij het wijwater goot,fchudde hij een gedeelte in een fchotel, en fchepte hieruit driemaal met een lepeltje in zijne holle hand, om het opteüorpen ; deelende verder een ieder van de gemeente wat van dat water mede, het in hunne holle hand gietende. Een ieder ontving dat genade-drupje met eerbiedige aandacht , en wischte met de natte hand oogen en hoofd ; gelijk men de geloovige Kalmukkex en Mongolen met hun wijwater ziet doen. Na deze plegtigheid werd een fchoteltje met roode Agurkjes , die op het - tafeltje geftaan hadden , in de hand genomen , en aan de geheele gemeente, die zich totdat liefdemaal in een kring voor de Pagode kruisbeens nedergezet had, omgereikt. Eindelijk , werd ten befluite, ter eere van den Braman, die boven aan, ter linker zijde van de Pagode, T 2 zat,

Sluiten