Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—( 322 )—

Volharding in dezelve, de ziel wederom opgeklaard, vroliik. Wij behoorden , nimmer, over het toekomende te oordeelen, dewijl wij niet in ftaat zijn, om nierover andere , dan valfche, gronden optegeven. Wij behoorden ons altijd de, zoo troostrijke, proefondervindlijke waarheid te binnen te brengen, dat menige gebeurdtenis, welke de mensch, in het verfchiet , met een bang en vreesachtig oog befchouwde, wanneer zij werklijk voorhanden is, alle haare fchriklijkheid verliest ; ja, zelfs in de gevolgen , een' onverwachtten zegen met zich brengt. Hij, die alle hulpmiddelen beproeft, tegen alle zwaarigheden ftrijdt ; die nimmer verflaauwt , en fteeds op God vertrouwt; hij beneemt indedaad den prikkel aan alle rampen, en den zege aan de zwaarmoedigheid. „ God," fchrijft de Heer Hisman te recht, ,, laat niet één' eenigen zijner kinderen eenen weg bewandelen, die niet, vroeg of laat, ter gelukzaligheid geleidt; en nimmer perst hij de geheimfte .zugt van een gevoelig wezen af, die niet, eindelijk, in een zielroerenden lof van dankbaarheid verwisfelt."

Verdriet, onheilen, ziekte, maaken ons rasch met de Eenzaamheid eigen. Hoe fchierlijk verlaten wij de waereld; hoe onverfchillig worden ons alle derzelver vermaaklijkheden; hoe bedaard wordt de gefteldheid der zinlijke begeerten , wanneer fmart eu moedeloosheid ons nederdrukken, wanneer alle onze krachten ons begeven.. Dan zien wij dra , hoe broos alle de fteunfels zijn, welken de waereld ons aanbiedt ; hoe al bet goede , dat men gedaan en •I i -ge-

Sluiten