Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 324- )-

kracht de overhand, welke wij nog bezitten, zodat ze niet gereekend en vergeten wordt. Dus verzinkt dan de ziel geheel in angst ; alle reden en alle overblijfzelen van fterkte blijven onderdrukt. Wij vertrouwen ook te weinig op datgene, 't welk wij, bij aanhoudend' lijden , ondernemen. Wanneer hierom de zieklijk'e mensch , bij langduurige kwaaien, flechts met geweld, zijne aandacht aan de befchouwing zijns fichaams onttrekt, dan zal hij , buiten verwachting, verlichting vinden, en dingen ter uitvoer brengen , die hem onmooglijk toefcheenen. Ten dien einde, moet' hij ook alle geneesmeesters affchaffcn , die hem fteeds opmerkzaam maaken op hetgeen hij moet vergeten; naamlijk , door hunne geduurige komst en vragen , hoe men zich bevindt , door hun diepdenkend pofsvoelen , hoofdfchudden, en ongunftige vertrekkingen van het gelaar, door te zien, hetgeen niet beftaat, door niet te zien, waar zeer veel zou te zien zijn, door niets te ontwaaren van alles , wat de ziet betreft , of ' door het beklaagend eil gemaakt medegevoel van des lijders ongelukkigen toeïtand. Hij moet tevens zijne vrienden en bioedverwandten verbieden, van hem, in zijne zwakheden , niet naar den mond te praaien. Hij moet hen, in allen ernst, bidden, van toch nimmer aan alle zijne gezegden geloof te flaan ; want, gefteld zijnde, dat alle zijne gewaarwordingen wezenlijk plaats hebben-, zijn echter zeer veele inbeeldingen van hem onwaar.

Nog eens Ook dan zelfs, wanneer alles verloren is, wat Wijsgeeren en Godgeleerden wegens de

fterkte

Sluiten