is toegevoegd aan je favorieten.

Romeinsche geschiedenissen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

444

ROMEINSCHE

VII.

boek

X.

hoofdst,

J. voor C,

47J. van R.

705.

gelukkig ware ik voor de tijding van den dood van publius (1) , mijnen eerften echtgenoot, geftorven! Ach! hoe verflandig had ik mij, gelijk ik wilde, na zijnen dood, beroofd van mijn rampzalig leeven ! Maar ik moest leeven, om ook den grooten pompejus te verderven (2)!" Pompejus andwoordde haar: „cornelia, gij kendet alleen mijn goed geluk, bet welk ook u misfchien bedroog, om dat het mij langer, dan gewoonlijk, bijbleef. Wij, die flechts menfchen zijn, moeten dit verdragen en het lot op nieuw beproeven, sonder den moed op te geven, van weder zoo hoog te kunnen klimmen, als wij laag zijn gevallen (3)!"

De Mi tij le fiers kwamen po mpe jus begroeten en binnen hunne ftad noodigen, maar ook hier weigerde hij intekomen, en raadde hun, zich naar den wil zijnes overwinnaars te fchikken, hun, ter hunner gerust-

ftel.

(1) De jonge crassus; zie D. XVI. bl. 281.

(2) Wélk eene edele charaktertrek, den naam van cornelia, dien ook de moeder der grac. chussen voerde, cverwaardig!

(3) Plut. in pomp. p. 658, 659.