is toegevoegd aan je favorieten.

Dupliek of Afscheid van Alethophilus aan Philadelphus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l43

TWAALFDE BRIEF.

dan eene nadere opheldering van mijne voorige gezegdens. Maar — behalven dat — eene geheele bladzijde (*) hejleede ik met die woorden te betoogen of optehelderen. — Spreek ik niet onder anderen van een Predikant , die zijne Hoorders dan in 't geméén als Christenen ,^ aanfpreekt en dan zijne reden tot goeden en kwaden in het bijzonder inricht? — Dat alleen was genoeg geweest om mijne in uw verblind oog monflreufe Helling optehelderen! —

Maar, Mijnheer! hoe komt het u in het hoofd om mijn gezegde als iets ongehoords — door mij het allereerst uit den vinger gezoogen te doen voorkomen ? Is dat vreemd — dat de Israëliten één Volk bleven, of zij in Gods verbond waren en bleven of niet. Ik heb altoos gemeend, dat ieder zo dacht. Ik althans heb nog al eenige Christenen van zeer verfchillende denkwijs ontmoet, veele Leeraars en Profesforen gehoord: maar nog nooit heb ik er één gehoord, die deze ftelling niet leerde, of althans niet begreep. Hoe ik het meende

(want men kan mijne woorden wel zo verdraaien, dat ze de zotheid zelve zijn) hebt Gij onder anderen uit mijne gelijkenis, zo even aangehaald, kunnen opmaaken. —— Ik zal er nog maar bijvoegen: in Nederland heeft men (naar mijne gedachte) ware Christenen en zulken die het niet zijn. Daarom echter blijven die al. len één volk — het Nederlandfche Volk. Zo meende ik het met het Joodfche Volk. Ai lieve, Mijnheer! zeg mij eens hoe Gij aam mijne woorden eenen anderen zin, — en welken dan — geeven kunt? — Intusfchen hebt Gij door uwe aanmerking u de moeite gefpa ard om mijne gezegdens te ontzenuwen'. — Ik moet — hoe zGer het mij al verveelt — u nog op

het

O M> 3*-