is toegevoegd aan uw favorieten.

De geest der Nederlandsche dichters

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 103 >

Hier op begint de Maagd te fehfeiën, En roept: och of 't nog mogt gefchiên, Dat mij mijn vader weêr mogt zien! Hoe zou die grijsaard zich verblijën 1 Ik was weleer een lief en éénig kind,

Gekoesterd op den fchoot mijns Moeders, Ik had noch zusters, noch gebroeders, Ik wierd alléén, als 't hoogde pand, bemind.

Mijn Vader was een Landregeerer, Ik zoog het vorstelijke bloed, En wierd tot hoogheid opgevoed, Mijn jaaren wierden langs hoe meerer; 't Gebeurde dat een edel jongeling, Op mij verliefd, all' zijne dagen Opofferde aan mijn welbehagen, En nacht en dag om mijne woonplaats ging.

Mijn Vader mogt hem zien noch hooren, (ó Blinde ftaatszucht, nooit geloofd!) Maar ftiet hem wrevlig voor het hoofd, Wijl hij zóó hoog niet was gebooren; Hij egter houdt toch onverzetbaar ftand,

Hii trok, door zijne trouw, mijn zinnen, En blies, door zijn flandvastig minnen, Mijn jeugdig hart in eenen lichten brand,

G 4