Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 133 )—

Wanneer wij ons onze vroegfte denkbeelden en voorftellingen van zaakcn herinneren, en op het gene anderen ons, aangaande zich zeiven, mondeling zeggen, of in hunne fchriften vernaaien, met oplettendheid acht geven, zullen wij, gis ik, aan de waarheid der volgende opmerkingen onze toeftemming niet weigeren.

1. De maatftok, naar welken kinders de grootheid van andere ligchaamlijke voorwerpen, die hen omringen , zich zeiven voorftellen , is hun eigen ligchaam. Hoe kleener dit is, hoe grooter alle voorwerpen hun noodzaaklijk moeten voorkomen. Dit is zeer natuurlijk; naardien de denkbeelden en voorftellingen van groot en kken betreklijk zijn, en de kinders geenen naderen maatftok hebben, dan hun eigen ligchaam. De ondervinding bevestigt ons de

^waarheid dezer opmerking, het zij wij ons onze vroegfte voorftellingen, van welke wij min of meer geheugen dragen, herinneren*; het zij wij, in den omgang met kinderen, den aard hunner voorftellingen weten waartenemen.

2. Alle uiterlijke voorwerpen fchijnèn den kinderen veel grooter te wezen , dan ze waarlijk zijn, en kleene voorwerpen (zulken naamlijk, welken wij volwasfenen voor kleen houden ) komen den kinderen grooter voor. Groote voorwerpen zijn , in hunne oogen, van eene menfchelijke geftalte. Dit volgt uit de eerfte aanmerking, en wordt door de ondervinding bevestigd. Men neme 'er zelf de proef van. Laat men eene plaats bezoeken, waar men eertijds in zijne vroege kindsheid — b.v. tot zijn zesde jaar —

1 i ge-

Sluiten