Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 18a )-

naar eer, naar grootheid en rijkdom; met één woord, alle zoortgelijke verkeerde, of te vergedreeven beginzelen , doorgaands, de bronnen van jammer en ellende; maar is daarom de waereld een traaaendal ? —> Moet men daarom het liefdaadig Opperwezen door dagelijkfche klagten befchuldigen — dat Wezen, 't welk alles ingericht heeft, om ons geluk en genoegen op duizenderleie wijzen te bevorderen?

Wij willen bij dit denkbeeld een oogenblik ftil ftaan; wij willen de aardfche geneugten opfpooren; die voorvallen optellen , welken ons, buiten onze fchuld, treffen, en die wij als rampen, als bittere grieven uitkrijten, van nabij befchouwen , of het waarlijk rampen zijn, welken de waereld tot een traanendal maaken , en vervolgends zien, waaraan het haapere , dat een volk ongelukkig wordt, en wat in ftaat zij, om een volk gelukkig te maaken.

Wie, die eenigzins opmerkzaam is, die zijne oogen niet willens en wetens fluit voor het helder licht der overtuiging, zal durven ontkennen , dat de natuur alleen duizende geneugten oplevert. — Deze waarheid is zoo veelmaalen door kundige wijsgeeren aangetoond, dat het dwaasheid zijn zoude, hierop verder ftil te ftaan: niemand kan ontkennen, dat God door dezelven ons geluk alleszins bevorderd, dat Hij dus ons onheil niet bedoeld hebbe; want iemand genoegen te verfchaffen, en tevens ongelukkig te willen maaken, is eene volftrekte tegenflrijdigheid.

De menfehen vormen zich veelal een verkeerd begrip van hun geluk : zij verbeelden zich, dat hun

tij-

Sluiten