Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 522 )—

#•

Lotje kwam op zekeren tijd zeer weemoedig in de kamer , om naar haar tas te zoeken. Ach !" zeide zij ; „ 'er is zulk eene arme Vrouw aan de deur , die zich beklaagt , dat zij van daag nog niet één ftukje brood genuttigd heeft, en ellendig met de jicht zukkelt."

De Vader. ,„ Hebt gij niet gevraagd , Lotje, hoe zij heet?"

Lotje. „Ja, Anne-mie, Vader: — het is die Vrouw op krukken, die ik u reeds meer geweezen heb."

D. V. ,, Wel nu, Lotje, dan kunt' gij uw geld wel houden. Dat vrouwsperfoon heeft alles doorgebragt. Hoor eens, ga naar haar toe, en zeg haar, dat, als zij in haar jeugd beter huis gehouden had, zij tegenwoordig niet zou behoeven te beedelen."

L. „ Ach! lieve Vader, dat kan ik waarlijk van mij niet verkrijgen."

D. V. „ Dan zal ik het doen." (Tot de arme Vrouw.) Foei , mensch, fchaamt gij u niet, om anderen lastig te vallen ? Hebt gij niet een eigen huis , niet een eigen tuin gehad — en, hebt gij het niet alles "

De arme Vrouw. „ Ach! ik bid u , om Gods wil , mijn goede Heer . . ."

D. V. ,, Kom, kom, gekheid! pak u maar oogen» bliklijk weg , of ik zal u wat anders leeren!"

Zoo liefdeloos behandelde de Heer P. alle arme lieden. Zelfs dan , wanneer hij hun, fatfoenshalve,

één

Sluiten