Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 556 )-

heid , onbedenklijk grof gaar. Een ieder , denk ik, zoude , zo dit het geval geweest ware , zich , als om ftrijd , beijverd hebben , om dit kenmerk van openbaar vertrouwen te kunnen blijven behouden , en , door hetzelve te verliezen , niet te fchande te worden : en de jaloerfche nijd der genen , die dit voorrecht verbeurd hadden , zoude , mijns oordeels, een even zoo naauwlettende , als onömkoopbaare, toeziener of opzichter geweest zijn ; — veel beter, dan twintig der hedendaagfche opzieneren.

Ik kan niet nalaten , onder de aanleidende oorzaken tot ontrouw en bedrog , onder de Natie, mede te reekenen het groote gebrek aan behoorlijk opzicht op de zeden des Volks. Ik bedoel hier, voornaamlijk, de lediggangers , doorbrengers, en Iigtmisfen , die zich in drank of wellust verlopen. Ik bedoel familie-onlusten, die eene openbaare ergernis geven, kroegen, bordeelhuizen , en dergelijke dingen meer. Bij de Grieken en Romeinen , toen deze- Volken in hunnen bloei waren, maakten deze dingen een gewichtig gedeelte van het openbaare opzicht uit, en wij vinden , in de narichten van hunne wetten en inflellingen doorflaande blijken van de zorg en waakzaamheid , welke zij, hieromtrend, in acht namen. De noodzaaklijkheid van een geftreng toezicht op dit alles ligt , dunkt mij , zoo duidelijk in de natuur der menfchen', dat men zich billijk verwonderen moet , hoe deze alleraanmerklïjkfte zaak, in onze verlichte dagen , de aandacht der Regenten bijna geheel ontflippen kan.

Be-

Sluiten