Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 77 D-

" Het is zoo; de Zendelingen van Je sus ontfloegen, inde eerfte tijden, de Slaaven, die op hunne prediking geloofden, wel niet uit de onwaardigfte dienstbaarheid. Maar, indien deze ihfchiklijkheid, omtrend de waereldlijke inrichtingen van dien tijd, eene wettiging van de flaavernij mag heeten, dan moeten wij het ook nu nog de Marokkaanfche Roovers niet kwaali'k nemen, dat zij de zee onophoudelijk doorkruifen, en alle Christenen, die hun in handen vallen, tot Slaaven maaken. Immers Paulus heeft zelf het gedrag van zulken, die ongeloovige Heeren dienden, geregeld (*); ook weten deze blinde Turken zoo goed niet, wat zij daaraan misdoen, als wij — ten minden behoorden te weten.

Eén bewijs heeft men vóór den Neger- handel en deszelfs wreede gevolgen , waarvan men zich alles goeds belooft. Ik heb het voorheen reeds met een woord aangeroerd; doch, wijl ik een voornemen had, om daarvan opzetlijk te fpreken , ben ik 'er tot hiertoe maar los overheen geflapt. De lezer merkt we!, dat ik thands Neêrlands Koopbelang op het ooge heb.

„ Indien dees handel , zegt men , gedaakt wierd , en 'er geen toevoer van Slaaven in onze Colonien kwam, wat zou 'er van deze zo kostelijke bezittingen in weinige jaaren worden ? Laten de bedrijders van dezen handel eens bij gevolgtrekking bereekenen , hoe het met ons Land , onzen

Koop-

C) coloss. Hl. 21-23. 1 Tim. vi. 1. Tit. n. 9, •*

Sluiten