Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—( 207 )—

Laat geen mensch daarom minder door ons geacht worden , omdat zijn uiterlijk voorkomen en huisraad minder fchoon is , dan het onze.

Benijden wij ook niemand , die ons hierin overtreft , zelfs dan , wanneer ons de Voorzienigheid in een' zoo laagen ftand plaatfte, waarin wij van deze fchoonheid weinig vertoonen konden. De hoogfte waare fchoonheid , orde en reinheid naamlijk, blijft altijd in onze magt. En zij , die deze niet fchoon genoeg aan ons vinden, verdienen niet onzen nijd , maar ons medelijden.

Letten wij voords bij alles, wat wij ter vermeerdering onzer fchoonheid in 't werk ftellen , op onzen ftand, en hoeden wij ons, dat wij ons nimmer, zelfs al kunnen wij, boven denzelven verheffen.

Dit verwekt meestal den nijd en ijverzucht der dwaazen, en altijd de berisping der verftandigen. En hoeveele onaangename gevolgen ons daaruit kunnen voordvloeien, leert ons, bijna daaglijks, de ondervinding.

Ziet daar de regels eener wijze zedenleer over de uiterlijke fchoonheid. Indien wij die volgen, zullen wü , als verftandigen , het genoegen genieten , dat <jns de Schepper toegefchikt heeft, en ons, met een fchuldloos hart, ook in die gaven verheugen, die den dwaazen zoo dikwijls tot valftrikken verftrekken, waarin zijn hart zich verftrikt., en die zijne gelukzaligheid verftooren.

II.

Sluiten